Ga naar inhoud
Fellowships

In gesprek met de NFF Fellows: Matthew C Wilson

Bij het NFF Fellowships Programma werken ieder jaar een drietal kunstenaars aan hun eigen innovatieve onderzoek op het kruisvlak van technologie en maatschappij. In dit bijzondere programma staat alles ter discussie: de vragen die gesteld worden, de methodes die gehanteerd worden, zelfs de uitkomsten liggen niet vast. Om mee te kunnen kijken in de keuken van hun werkvormen, dilemma’s, en beweegredenen, gaat Paulien Dresscher, curator van het programma en onderzoeker op het gebied van digitale cultuur, het gesprek aan met de Fellows.

De tweede Fellow dit jaar is Matthew C Wilson.

Fellows 2025-2026
Deel 2:  Matthew C Wilson

Vlcsnap 2026 09 15 14h15m37s442

Het einde van de tegenstelling tussen natuur en cultuur

Matthew C. Wilson is een kunstenaar, onderzoeker en filmmaker uit de Verenigde Staten, gevestigd in Amsterdam. Hij maakt deel uit van de derde lichting NFF Fellows. In zijn films, installaties en sculpturen onderzoekt hij hoe wetenschap, technologie en natuur steeds meer met elkaar verweven raken. Op basis van gesprekken met wetenschappers over de hele wereld verbeeldt hij alternatieve werkelijkheden en mogelijke toekomsten. Veel van zijn werken roepen een vraag op: wat gebeurt er met de postindustriële, westerse manier van denken en leven, wanneer de grens tussen natuur en cultuur steeds vager wordt?

Van oudsher plaatsten westerlingen zichzelf buiten en boven de natuur. Wij zijn geneigd te denken dat mensen cultuur hebben, bewuste beslissingen nemen en betekenis geven aan hun handelen; een rivier of bacterie kan dat niet. Wij zijn gewend onszelf te zien als waarnemers en beheersers van de natuur, die we naar onze hand zetten. Maar dit traditionele wereldbeeld vertoont diepe barsten — in de filosofie, bij denkers als Donna Haraway, Bruno Latour en Rosi Braidotti; door groeiend bewustzijn van en waardering voor inheemse kennissystemen; en in de wetenschap, waar microbioomonderzoek laat zien hoezeer het menselijk lichaam bestaat uit bacteriële ecosystemen, en plantenintelligentie de vraag oproept of communicatie wel een exclusief menselijk, of zelfs dierlijk, vermogen is.

Volgens Wilson is dit onderscheid tussen natuur en cultuur achterhaald, en is hij geïnteresseerd in zowel het in beeld brengen van deze afbrokkeling als het zoeken naar nieuwe manieren om de wereld niet louter te begrijpen, maar te benaderen en te ontmoeten. Als kunstenaar volgt hij ontwikkelingen in de wetenschap om te verkennen welke technologieën richting kunnen geven aan de vormen die de samenleving in de toekomst zou kunnen aannemen. Die ideeën vertaalt hij vervolgens naar verhalen, films, scenario's en sculpturen — om ons te helpen ons voor te stellen wat ons te wachten staat.

Vlcsnap 2026 09 15 14h15m49s413

Het Antropoceen: een omstreden term

In ons gesprek vertelt Wilson hoe het onderscheid tussen natuur en cultuur onder druk komt te staan door het Antropoceen: een voorgesteld geologisch tijdperk waarin menselijke activiteit zo omvangrijk is geworden dat zij de aarde zelf verandert. Dit zie je overal terug: plastics en pfas die in het milieu blijven hangen, landschappen die worden omgevormd door stedelijke ontwikkeling, datacentra en zonnefarms, uitstervende diersoorten, smeltende gletsjers. Dit is sterk versneld sinds de Tweede Wereldoorlog, aangedreven door een enorme toename van industrialisatie tijdens de zogeheten ‘Great Acceleration’.

Toch is de term zelf omstreden. De grootste impact op de klimaatcrisis komt namelijk niet van de mensheid als geheel, maar van een specifieke subgroep — in culturele, economische en geopolitieke zin. “De impact van de mens op het klimaat zit vooral in de koolstofuitstoot, en die is ongelijk verdeeld over de wereldbevolking. Het zijn vooral industriële en postindustriële samenlevingen en economieën,” aldus Wilson. Dat biedt een andere blik op ecologische verantwoordelijkheid — een blik die niet in gelijke mate voor de hele mensheid opgaat.

Aarde, leven en denken als één systeem

Om voorbij de natuur-cultuurtegenstelling te komen, waarin mensen en hun cultuur worden gezien als gescheiden van andere organismen en de fysieke aarde, wendt Wilson zich tot het gedachtegoed van de vroeg twintigste-eeuwse wetenschapper Vladimir Vernadsky.

Vernadsky zag de aarde als een systeem waarin materie, leven en denken elkaar voortdurend beïnvloeden. Centraal in zijn denken stond de biosfeer, waarin levende organismen interacteren en de fysieke aarde veranderen. Later ontwikkelde hij het concept van de noösfeer, waarin het collectieve menselijke denken, kennis en handelen zelf krachten worden die de biosfeer en de planeet kunnen veranderen. In zijn ogen zijn het vooral de wisselwerking en de terugkoppelingslussen die ertoe doen: wat mensen bedenken en bouwen verandert de planeet, terwijl die planeet op haar beurt bepaalt hoe mensen kunnen leven en denken; het één bestaat niet zonder het ander.

Het is eigenlijk die terugkoppelingslus tussen de noösfeer, de geosfeer en de biosfeer waar mijn interesse ligt, en waardoor we preciezer kunnen zijn dan de natuur-cultuurtegenstelling toelaat. De collectieve activiteit van menselijke geesten, de noösfeer, wordt dan net zo'n planetaire realiteit als gesteente of ecosystemen.”
--Matthew C Wilson

The Factitious

Als mensen zelf onderdeel zijn van natuurlijke processen, wordt ook het onderscheid tussen wat “gemaakt” en wat “natuurlijk” is minder vanzelfsprekend. Dat grensgebied noemt Wilson the factitious. Daarmee bedoelt hij dingen die door menselijk ingrijpen ontstaan, maar die niet netjes van de natuur te scheiden zijn. Het begrip helpt Wilson nadenken over nieuwe vormen van leven, materie en omgeving die ontstaan op de grens van natuur, technologie en verbeelding. Wilson: “The factitious is zoiets als ‘synthetic’, maar ik vind het mooier omdat het een echo heeft van ‘fact’ en tegelijkertijd als ‘fiction’ klinkt. The factitious benoemt de ruimte tussen natuur en cultuur: dingen die door menselijk ingrijpen ontstaan maar toch volledig feit, echt zijn — geen fictie of voorstellingen, maar authentieke entiteiten die voorheen niet in de wereld bestonden.”

Concrete voorbeelden hiervan zijn te vinden in de synthetische biologie, waar wetenschappers organismen herontwerpen, hun genetische circuits aanpassen en proberen nieuwe vormen van biologische organisatie te construeren. Dergelijke entiteiten kunnen doelbewust ontworpen zijn, maar eenmaal levend groeien ze, hebben ze een stofwisseling, reageren ze op hun omgeving en kunnen ze mogelijk evolueren. Ze zijn tegelijkertijd producten van menselijke intentie én deelnemers aan processen die die intentie overstijgen. Zulke voorbeelden maken duidelijk waarom Wilsons vragen niet louter theoretisch zijn. Aldus Wilson: “In mijn artistieke onderzoeksproject rond synthetische biologie wil ik de vraag oproepen wat er gebeurt wanneer menselijke technologie niet alleen gereedschappen begint voort te brengen, maar ook nieuwe vormen van leven, materie en wereld.”

Vlcsnap 2026 09 15 14h14m22s874

Dit begrip staat ook centraal in zijn werken Factitious Earths, Factitious Flora en Factitious Reservoirs. Factitious Flora is bijvoorbeeld een experimentele film die visuele onderzoeksnotities verzamelt over mogelijke toekomsten van planten. De film onderzoekt hoe planten niet alleen als natuurlijke organismen kunnen worden gezien, maar ook als onderdeel van netwerken met mensen, machines en planetaire processen. Daarmee laat Wilson concreet zien wat ‘the factitious’ kan betekenen: een werkelijkheid waarin het natuurlijke en het gemaakte niet meer eenvoudig van elkaar te scheiden zijn.

Van sculptuur naar cinematisch prototype

Als kunstenaar en filmmaker onderzoekt Wilson synthetische biologie en synthetisch leven. Gesprekken met wetenschappers uit uiteenlopende disciplines vormen een belangrijke inspiratiebron: in plaats van alleen artikelen te lezen, bezoekt hij laboratoria, onderzoeksgroepen en conferenties over de hele wereld. Zoals hij zelf zegt: “Ik heb geen wetenschappelijke graad — ik ben in wezen vooral een geïnteresseerde buitenstaander. Het enige verschil tussen mij en andere niet-specialisten is dat ik hier tijd aan heb besteed.” Wat hij meebrengt is aanhoudende nieuwsgierigheid en het vermogen om domeinen met elkaar te verbinden — een vaardigheid die voortkomt uit zijn achtergrond in literatuur, beeldende kunst en analytisch denken.

Zijn artistieke praktijk kreeg voor het eerst vorm rond de beeldhouwkunst — een medium dat hij ‘echt’ vindt: een fysiek object dat je lichamelijk en ruimtelijk kunt ervaren. Volgens Wilson stelt een sculptuur een bijzondere eis aan het interpretatievermogen van de kijker, mogelijk juist omdat het niet per se een verbeelde wereld, personages of een zich ontvouwend verhaal biedt waarlangs betekenis kan worden georganiseerd. In plaats daarvan ontstaat betekenis via de ontmoeting met het object zelf: de materialen, de vorm, de ruimtelijke verhoudingen en de associaties die deze oproepen. Een installatie breidt deze ontmoeting uit tot een omgeving die de kijker fysiek kan betreden. Film biedt Wilson iets anders.

Het is een medium dat in staat is om een wereld die nog niet bestaat weer te geven, niet alleen af te beelden, maar te modelleren, met een resolutie die dicht in de buurt komt van de eigen mentale beeldvorming van de kijker.”
--Matthew C Wilson

Wilson beschouwt deze uitkomsten niet als het definitieve eindpunt van zijn onderzoek. In zijn presentatie tijdens het NFF toont hij het werk dan ook bewust in een voorlopige vorm. Hij presenteert een groeiende catalogus van hybride, synthetisch-biologische ‘specimens’, samengesteld op basis van gesprekken met wetenschappers, laboratoriumbezoeken en bestaand onderzoek. Deze specimens geven concreet vorm aan wat Wilson onderzoekt via the factitious: levensvormen waarin het onderscheid tussen natuurlijk, technologisch en door mensen ontworpen steeds moeilijker vol te houden is. Uit deze catalogus selecteerde Wilson een aantal specimens en werkte deze verder uit tot korte filmische prototypes: filmische glimpen van mogelijke werelden waarin deze organismen bestaan en zich verder ontwikkelen. Ze bieden geen vaststaande toekomstbeelden, maar nodigen het publiek uit om te speculeren over wat deze nieuwe levensvormen zouden kunnen worden, en hoe ze de werelden waarin we leven mogelijk veranderen.

Geen verhalen, maar werelden

Wilson presenteert zijn scenario's bewust als momentopnames — als zaadjes in plaats van voltooide werken. “Wat ik laat zien op het festival zijn fragmenten die verwijzen naar toekomstige films met een hogere resolutie.”

Hij beroept zich op Bruce Sterlings begrip van design fiction: je vertelt niet zozeer een verhaal over een mogelijke toekomst, maar laat een wereld zien waarin de toekomst al bestaat. Het object, prototype, beeld of artefact dient dan als bewijsstuk uit die wereld. Wilson: “Het werk vertelt dus niet zozeer ‘verhalen’, maar ‘vertelt werelden’ — kiemen van een toekomst.”

Met het oog op de toekomst wil Wilson deze fragmenten uitbouwen tot meer volledig ontwikkelde verhalende films, door scripts te schrijven, acteurs te casten en crews samen te stellen, terwijl hij geworteld blijft in experiment en de benaderingen van kunstenaarscinema.

Still 2026 09 02 150618 1 11 1

Essentie: verbeelding als voorbereiding 

Wilson gebruikt verbeelding in zijn werk om ons te helpen voorbereiden op toekomstige veranderingen die nu nog moeilijk te overzien zijn. Voor hem zijn veel van de mogelijkheden rond synthetische biologie geen verre sciencefiction: de onderliggende technologieën worden al ontwikkeld, grotendeels buiten het zicht van het grote publiek. Door glimpen van mogelijke werelden te tonen voordat ze werkelijkheid worden buiten het laboratorium, nodigt hij kijkers uit zich de menselijke, ecologische en culturele dimensies van die toekomst voor te stellen.

Toch verzet Wilson zich tegen het idee dat zijn werk ten dienste zou moeten staan van wetenschapscommunicatie: “Ik geloof niet dat kunst een specifieke taak zou moeten uitvoeren of een specifiek resultaat zou moeten opleveren namens de wetenschap — dat zou een last zijn voor de kunsten. Wat kunst in plaats daarvan kan doen, en waarvoor ik haar probeer te gebruiken, is het creëren van onbekende ervaringen voor kijkers: ontmoetingen die zo vernieuwend zijn dat ze iemand de wereld met nieuwe ogen laten zien.”

Een wetenschappelijk model, zoals een klimaatprognose, kan ons vertellen wat er zal gebeuren als bepaalde trends doorzetten, maar niet hoe het zal voelen om in die toekomst te leven. Film biedt daarvoor een ander instrument: het vermogen om toekomstscenario's te verbeelden en te beleven, nog voordat ze werkelijkheid worden. Een verhaal kan zo levendig worden in onze collectieve verbeelding dat het bepaalt waar onderzoekers zich op richten, en zo uiteindelijk zelfs kan bijdragen aan het werkelijkheid worden ervan. Dat gold voor ideeën over kunstmatige intelligentie, lang voordat conversatie-AI het dagelijks leven binnentrad — en volgens Wilson gingen culturele voorstellingen van AI vooraf aan de technologieën zelf, en hielpen ze bepalen hoe we deze vervolgens begrepen en ontwikkelden.

Door zijn toekomstscenario's te baseren op echte laboratoriumbezoeken en verankerd te blijven in ‘harde’ wetenschap, probeert Wilson niet zomaar te fantaseren over wat mogelijk is. Hij wil ingrijpen in wat hij de social imaginary noemt: de gedeelde ideeën en verhalen over hoe de toekomst eruit kan, of zelfs zou moeten, zien.

Wilson pretendeert niet de toekomst te voorspellen: “De praktijk van geen enkele kunstenaar is op zichzelf bepalend voor het traject van een technologie met zulke verstrekkende gevolgen als de synthetische biologie. Maar door ‘zaadjes’ van mogelijke werelden te produceren in plaats van gesloten verhalen, en door die zaadjes te behandelen als voorlopige prototypes in plaats van definitieve conclusies, wil ik de kijkers de kans geven om zich voor te stellen, en te oefenen, wat het zou kunnen betekenen om te leven naast technologieën die al stilletjes hun intrede doen.”

Geschreven door Paulien Dresscher

ga terug