do 24 okt 2019

Interview met Jeroen Spitzenberger

Denk je spontaan bij de naam Jeroen Spitzenberger aan een opgefokte automobilist of een meedogenloze crimineel? Nee? Mooi, want daar brengt de acteer-kameleon met de bioscoopfilm BUMPERKLEEF en de tv-serie STANLEY H. graag verandering in.

BUMPERKLEEF kijkt lekker weg, maar betekent dat ook dat zo’n film lekker is om te maken?

“BUMPERKLEEF is een spannende, agressieve actiethriller geworden die redelijk uniek is in het Nederlandse filmlandschap. Het is fijn dat de film misschien vlot en vanzelfsprekend oogt, maar de weg er naar toe was allesbehalve vlot. Het vergde veel repetities en schaafwerk.”

En gevaarlijke capriolen?

“Nou, ik ben zelf niet vies van een stukje scheuren. Maar om nu een potje te lopen stunten op de openbare weg, met andere acteurs als bijrijder in de auto en camera’s aan de auto: dat lijkt me niet zo’n geniaal plan. Daar zijn andere personen voor. Een deel van de opnames gebeurde met precision drivers, andere scènes werden in de studio gedraaid met een ontmantelde Volvo op een soort kermisattractie, die via een joystick allerlei heftige acties als remmen, bochten en g-krachten kon simuleren. Een film als BUMPERKLEEF is technisch heel uitdagend. Je sprokkelt steeds kleine momentjes bij elkaar waarmee je een spanningsboog opbouwt.

Dat de film zo effectief is, is ook te danken aan het ingenieuze, creatieve camerawerk van Bert Pot. Er zit een moment laat in de film – nee, ik doe niet aan spoilers – waarbij het publiek zich he-le-maal rot schrikt. Wat er op het eerste oog als een volkomen traditioneel shot uitziet, blijkt als je het nog eens nakijkt een enorm slimme, verneukeratieve camerabeweging, waarin de timing het verschil maakt. Met die paar seconden ben je dan met de hele ploeg makkelijk een halve draaidag zoet. Dan komen inhoud, vormgeving en uitvoering samen. Voor mij is dat het grootste plezier van acteren en film maken.”

Bumperkleef Nederlands Film Festival


Elke rol is natuurlijk anders, maar hoe vertaalt zich dat in de voorbereiding en het acteren van zo’n opgefokte huisvader in BUMPERKLEEF of een geharde crimineel in STANLEY H.?

“Voor BUMPERKLEEF wilde ik het complete script uit mijn hoofd kennen, niet alleen mijn eigen tekst. De rol doet ook een groot beroep op het uithoudingsvermogen. Rennen, springen, vallen, klimmen, worstelen en uit een auto hangen, en dat alles tijdens een bloedhete zomer. Ter voorbereiding moest ik dus naar de sportschool. Niet om Rambo te worden, maar omdat je gewoon écht fit moet zijn voor zo’n project.

STANLEY H. vergde weer heel andere dingen van mijn capaciteiten en inlevingsvermogen. In dat verhaal is ook de achtergrond belangrijk, dus daar spreek je dan met elkaar bij de repetities over. Hoe zat het ook alweer met die IRT-affaire? Dat soort vragen betekenen ook dat je gewoon je huiswerk moet maken. STANLEY H. diende zich vrij laat aan. Eerlijk gezegd had ik niet verwacht dat ik de rol zou krijgen, want ik vind me helemaal niet op Stanley lijken, maar waagde toch een poging. Het voelt dus alsof ik met mijn neus in de boter ben gevallen. Opnieuw, want ik heb de laatste jaren veel mooie en uiteenlopende dingen mogen spelen, van een oorlogsdrama als SÜSKIND en een comedy als DIVORCE tot een familiefilm als MEESTER KIKKER. Ik hecht eraan om niet in herhaling te vallen, maar besef me terdege dat die diversiteit in rollen je ook gegund moet worden. Daarnaast hangt het af van wat voor plaatje de regisseur vooraf in zijn hoofd heeft. Ik snap best dat ik niet de eerste ben die spontaan boven komt drijven als er een Hollandse actieheld wordt gezocht.”

Jeroen Spitzenberger als Stanley H.

Voor welke rol móeten ze je bellen?

“Ze moeten me voor elke grote, uitdagende rol bellen (lacht). Ik acht mezelf tot een vrij breed palet in staat. Het enige probleem is dat er in mijn generatie echt ijzersterke acteurs rondlopen, de Jacob Derwigs, Gijs Nabers en Fedja van Huêts van deze wereld.”