do 01 okt 2020

40 Jaar Nederlands Film Festival door Herman de Wit

Op 24 september 1981 opende de Utrechtse cineast en bioscoopexploitant Jos Stelling in Theater ’t Hoogt, een zaaltje waar op de grijs-groene bankjes plaats was voor zo’n 130 bezoekers, de eerste editie van de Nederlandse Filmdagen. Stelling stond als initiatiefnemer van het festival een genoeglijke samenkomst van de Nederlandse filmwereld voor ogen waar Nederlandse filmmakers hun films zouden laten zien en zouden bespreken, maar waar het toch vooral gezellig moest zijn.

Net zo gezellig als bij de Week van de Korte Nederlandse Film die hij in oktober 1978 in zijn eigen Springhaver Theater organiseerde en die als een directe voorloper van de Nederlandse Filmdagen kan worden beschouwd. Stelling wilde de Week van de Korte Nederlandse Film tot een jaarlijks evenement maken, maar bij die ene week zou het blijven. In 1978 werd in Utrecht ook voor de zevende en laatste keer de Cinemanifestatie gehouden, het fameuze internationale festival dat zoveel beroemde regisseurs en sterren naar Utrecht had gebracht. Dat filmfeest had bewezen dat het organiseren van een festival in Utrecht heel goed mogelijk was. Er bestond een vaste schare potentiële bezoekers, er was festivalervaring, het Instituut voor Theaterwetenschap bleek een goudmijn voor enthousiaste medewerkers en er was bij de gemeente een potje ontstaan waaruit de latere afleveringen van de Cinemanifestatie werden ondersteund. Dit potje mocht niet verloren gaan. Dus zon Stelling op een nieuw festival. Met een groot aantal afgevaardigden uit de Utrechtse en de Nederlandse filmwereld bedacht hij de Nederlandse Filmdagen. Er werd een kantoortje gevonden op de zolder van ’t Hoogt en met een handvol medewerkers werd in acht maanden tijd een heus festival op poten gezet.

De Grote Prijs van de Nederlandse Film

De eerste Filmdagen opende met de vertoning van Het meisje met het rode haar van Ben Verbong, een film die overigens al een week eerder in de bioscopen was verschenen. Op de slotavond een week later ging wél een Nederlandse film in première: Twee vorstinnen en een vorst van Otto Jongerius. Tussen de openingsfilm en de slotfilm gingen zo’n 200 Nederlandse films over het doek, in alle genres, waarvan 115 in competitie. Een deskundige jury, met onder anderen schrijver Remco Campert, beoordeelde de films en op de slotavond, waarvoor door de grote belangstelling moest worden uitgeweken naar de Catharijne Bioscoop, werd voor het eerst de Grote Prijs van de Nederlandse Film uitgereikt, beter bekend als het Gouden Kalf. De bronzen beeldjes, vervaardigd door de Utrechtse kunstenaar Theo Mackaay, werden uitgereikt in vijf categorieën: Lange Speelfilm, Korte Film, Acteur, Actrice en voor een jaarlijks wisselend filmvak, dit keer geluid. Daarnaast reikte het festival de Cultuurprijs uit, een Gouden Kalf voor iemand die zich bijzonder verdienstelijk had gemaakt voor de Nederlandse film. De filmjournalisten reikten de Prijs van de Nederlandse Filmkritiek uit, bedacht door Pieter van Lierop, de filmjournalist van het Utrechts Nieuwsblad en één van degenen die aan de wieg stonden van het festival.

 

Een uitgebreid programma

Naast de competitiefilms werden er afstudeerfilms, opdrachtfilms en wetenschappelijke films vertoond en werd er in retrospectieven onder meer teruggeblikt op het werk van de toen 82-jarige filmmaker Max de Haas en animatiefilmer Co Hoedeman. Veel aandacht trokken de talkshows en gesprekken: een gesprek over scenarioschrijven, het Skoop-gesprek over boekverfilmingen en ‘Het Eerste Leuke Gesprek Over De Nederlandse Speelfilm’ onder leiding van Rob Houwer met Wim Verstappen, Paul Verhoeven, Nouchka van Brakel, Ate de Jong en Leon de Winter.

Er was een Dagkrant en er werd een dagelijks videojournaal gemaakt. De Nederlandse omroepen zonden op radio en televisie onderdelen van het festival uit en ook de schrijvende pers liet zich niet onbetuigd. Het was kortom een echt festival. Utrecht bleek de uitgelezen stad voor dit festival te zijn. Op enige afstand van Amsterdam, het hart van de Nederlandse filmindustrie, en van Hilversum, het centrum van de Nederlandse omroep en zo neutraal terrein voor iedereen die op één of andere manier bij de Nederlandse filmwereld betrokken was.

Een groeiende stroom bezoekers

Paste het eerste festival met zijn 8000 bezoekers nog volledig in de bescheiden zalen van ’t Hoogt, bij de tweede editie werden de nabijgelegen bioscopen Camera en Studio bij het festival betrokken, terwijl voor de slotavond de grote Jaarbeurscongreszaal nodig was. Al gauw waren door de alsmaar groeiende stroom bezoekers ook de bioscopen Springhaver, City en het Rembrandt Theater nodig. Na tien jaar trok het festival al 40.000 bezoekers en weer tien later 75.000. Inmiddels ligt het aantal bezoekers al jaren rond de 150.000. Er was ook meer ruimte nodig voor de vele gesprekken en discussies, voor de kaartverkoop- en informatiebalies net als voor ontvangsten en premièreborrels. Veel van deze functies werden ondergebracht in hotel Des Pays Bas aan het Janskerkhof, waar ook de festivalgasten verbleven. De zalen van het fraai gerestaureerde Polman’s Huis bleken zeer geschikt voor seminars en bijvoorbeeld ook voor de dagelijkse avondtalkshow waarbij in verhitte discussies niet zelden invloedrijke filmbonzen als Matthijs van Heijningen, Wim Verstappen en Rob Houwer elkaar met veel plezier in de haren vlogen. Ook de fraaie grote zaal van Ottone bleek een zeer bruikbare locatie.

De Winkel van Sinkel

In 1996 kwam het kolossale pand De Winkel van Sinkel beschikbaar als Utrechts Festivalpaleis. Het kantoor van het Nederlands Film Festival, zoals het festival vanaf 1993 heet, verhuisde van ’t Hoogt naar de Oudegracht net als de kantoren van de collegafestivals Springdance en Festival Oude Muziek. De grote benedenzaal werd de plek voor de dagelijkse Talkshow. Het leek er langzamerhand op of het festival in de laatste week van september de hele stad Utrecht overnam. Ook de Stadsschouwburg werd bij het festival betrokken, voor openings- en slotavond en de vele galapremières. Jaarlijks werd er ook nog een paviljoen op de Neude gebouwd. Daarmee kreeg het festival een opvallende centrale locatie in het hart van de stad en een prima ontmoetingspunt voor passanten en bezoekers. Buitenlandse gasten, zoals de deelnemers aan de Holland Film Meeting, een vierdaagse bijeenkomst waar zij kennis kunnen nemen van Nederlandse films en co-productiemogelijkheden bespreken, zijn steeds weer onder de indruk van dit compacte festival. Alle filmzalen, ontmoetingsruimten en hotels liggen op loopafstand in de fraaie Utrechtse binnenstad en – niet onbelangrijk – er zijn tal van mogelijkheden om de inwendige mens te versterken.

Werkspoorkwartier

De laatste jaren lijkt er sprake van een zekere middelpuntvliedende kracht. Verschillende bioscopen in de binnenstad sloten hun deuren en de nieuwe bioscoopcomplexen Kinepolis en Pathé Utrecht Leidsche Rijn liggen op enige afstand van de Neude. Over niet al te lange tijd zal het festival, samen met ’t Hoogt, FOTODOK en ondernemers op het gebied van film en audiovisuele media een centrum voor beeldcultuur betrekken in het Werkspoorkwartier, met filmzalen, expositieruimtes, horeca, werkplaatsen en kantoren. Al deze nieuwe ontwikkelingen betekenen nieuwe uitdagingen voor een compact festival, maar bieden ook kansen om de bewoners van andere stadsdelen nog beter te bereiken. Op de Neude kon het festival de afgelopen jaren gebruik maken van verschillende ruimtes van het opgeheven Postkantoor. Met de daar onlangs geopende Bibliotheek Neude wordt in 2020 intensief samengewerkt.

Gesprekken en talkshows

Een van de doelstellingen van de Nederlandse Filmdagen was te bespreken hoe de Nederlandse cinema vooruit geholpen zou kunnen worden. En er is wat afgepraat. In een stortvloed aan gesprekken, discussies, talkshows, seminars en interviews. Het begon soms al ’s morgens vroeg met de zogenaamde Koffiediscussies of gesprekken onder de titel Het Ochtendhumeur. Later op de dag waren er dan indringende gesprekken over filmstromingen, aspecten van het filmvak, het werk van individuele filmmakers en andere filmonderwerpen. Onder deskundige leiding van filmjournalisten als Hans Beerekamp en Jan Heijs of collega filmmakers als Mart Dominicus en Theo van Gogh.

Hoogtepunt in de avond werd al snel de dagelijkse Talkshow waar gastheren en gastvrouwen als Charles Groenhuijsen, Philip Freriks, Mieke van der Weij, Matthijs van Nieuwkerk, Claudia de Breij en Art Rooijakkers filmmakers aan de tand voelden, jong talent voorstelden en heikele kwesties bespraken. Regelmatig schoven de makers van de films die die avond in première waren gegaan ook nog aan. Topdrukte was er altijd als de jury de Gouden Kalf-nominaties bekendmaakte, waarna gelukkige filmmakers het oordeel van de jury mochten toejuichen en teleurgestelde filmers de jury een groot gebrek aan inzicht konden verwijten. Nog steeds is de Talkshow een event dat veel festivalgangers niet graag willen missen.

 

Het oordeel van de jury’s

De juryleden van het festival hebben een erg lastige opdracht: een oordeel vellen over de films van filmmakers die ze vaak persoonlijk heel goed kennen. Ze doen het doorgaans met veel plezier, maar eenvoudig is het niet. Een enkele keer ontaardde het jury-oordeel in een enorm tumult. Zoals in 1983, toen de jury bij de nominaties voor de Beste Lange Speelfilm niet voor publiekslievelingen als De Vierde Man van Paul Verhoeven en Van de koele meren des doods van Nouchka van Brakel kozen, maar voor drie kleinere producties, waarvan er één als opdrachtfilm eigenlijk niet in aanmerking kwam voor de competitie. De consternatie was groot, temeer daar ook bleek dat in de categorie documentaire de veelgeroemde film Hans het leven voor de dood van Louis van Gasteren niet was genomineerd. Een ad-hoc jury moest uitkomst bieden. Zij kwam met de fraaie oplossing het Gouden Kalf voor de Beste Lange Speelfilm toe te kennen aan Van Gasterens magistrale documentaire.

Steeds meer Kalveren

Het voorval tekent het dilemma van veel jury’s: moesten zij de voorkeur geven aan kleine films met hoge artistieke kwaliteit voor een klein publiek of moesten ze de grote films bekronen die mede door de inzet van vele getalenteerde filmvakmensen veel bezoekers trokken in de Nederlandse bioscopen? Gelukkig konden de jury’s in de loop van tijd beschikken over een steeds groter aantal Kalveren – mocht de jury van 1981 nog slechts vijf Kalveren vergeven, twintig jaar later kon ze beslissen over dertien beeldjes – en waren ze zo in staat de verschillende prijzen netjes over de verschillende films te verdelen. Maar toch voelden de producenten van de grote publieksfilms zich niet zelden tekortgedaan als de belangrijkste prijzen overwegend naar artistieke kleinoden bleken te gaan en niet naar hun dure producties. Voor producties met hoge bezoekcijfers heeft het festival samen met het Nederlands Filmfonds de Gouden-, Platina-, Diamanten- en Kristallen Films in het leven geroepen, een bekroning waarmee publiekstrekkers nog tijdens hun bioscooproulement de nodige extra aandacht krijgen.

Dutch Academy for Film

In 2015 kwam er verandering in de beoordeling van de films: de nominaties en de winnaars van de Gouden Kalf Competitie in de categorieën speelfilm en lange documentaire werden voortaan bepaald middels het Academymodel, bekend van de Amerikaanse Oscars en andere landelijke filmprijzen. Een groot aantal filmprofessionals, de leden van de Dutch Academy for Film (DAFF) en Gouden Kalf-winnaars, bepalen via een stemming wie een Gouden Kalf in ontvangst mag nemen. Opmerkelijk genoeg blijken de dames en heren van de Academy, misschien nog wel vaker dan de jury’s, de meer artistieke producties te verkiezen boven de grote publieksfilms. In de categorieën korte film, korte documentaire, televisiedrama en interactieve projecten blijven de nominaties en winnaars gekozen worden door onafhankelijke jury’s. Naast de Gouden Kalveren worden er op het festival nog tal van andere prijzen uitgereikt zoals de Prijs van de Nederlandse Filmkritiek, de Filmprijs van de Stad Utrecht, voor de beste debuterende regisseur, en verschillende prijzen voor afstudeerfilms.

Gast van het Jaar

Naast de competitiefilms valt er op het festival veel meer te zien. Zoals een uitgebreide selectie van producties van de Nederlandse Filmacademie, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en andere audiovisuele opleidingen, met daaraan gekoppeld de NFF Studentencompetitie. En interactieve producties die zowel op het witte doek als in exposities worden gepresenteerd, waarbij de beste producties worden bekroond met een Gouden Kalf. Er is aandacht voor Vlaamse lange en korte speelfilms en documentaires en voor films die Nederlandse filmmakers in het buitenland hebben gemaakt, of waaraan Nederlandse cameralieden of acteurs en actrices hebben meegewerkt. Lange tijd stond jaarlijks een belangrijke regisseur, producent, acteur of actrice centraal – de Gast van het Jaar – met de vertoning van het volledige filmwerk, een talkshow en vaak nog vele extra’s. Zo was er bij het retrospectief van Johan van der Keuken een tentoonstelling van zijn werk als fotograaf in het Centraal Museum en bij Gast van het Jaar Pieter Verhoeff een concert met muziek uit zijn films. Die extra’s konden nog wel eens uit de hand lopen, zoals in 2003 toen er op verzoek van Gast van het Jaar Jan Decleir in één week tijd een fraaie korte film werd gemaakt: Vlucht der verbeelding. Een tour de force die vier jaar later werd herhaald op verzoek van Gast van het Jaar Burny Bos, met als resultaat de korte film Een trui voor kip Saar. In latere jaren maakten gasten als acteur Issaka Sawadogo, production designer Jan Roelfs en componist Tom Holkenborg/Junkie XL hun opwachting als NFF Master met drukbezochte masterclasses. NFF Master Jany Temime, de internationaal succesvolle Nederlandse kostuumontwerper, stelde een aantal van haar bijzondere creaties tentoon in het Utrechtse Stadhuis, met als hoogtepunt haar kostuumontwerpen voor de Bond-film Spectre, die toen nog in Nederland moest uitkomen.

Het Nederlandse filmverleden

Er was altijd wel een aanleiding voor een duik in het Nederlandse filmverleden: 40 jaar Filmacademie, 10 jaar Amsterdams Stadsjournaal, 20 jaar Holland Animation, 50 jaar Nederlandse geluidsfilm. Een nieuwe film over filmmaker Adriaan Ditvoorst was aanleiding om het werk van deze eigenzinnige filmmaker weer te vertonen en de première van een nieuwe film over Rembrandt om terug te blikken op eerdere films over de grote schilder. Hernieuwde aandacht voor het Nederlands landschap was aanleiding om te laten zien hoe Nederlandse filmmakers in de loop der jaren het Nederlandse platteland hebben verbeeld in speelfilms en documentaires, maar ook in landbouwvoorlichtingsfilms uit de jaren vijftig en in enkele zwijgende films uit het begin van de vorige eeuw.

Zwijgende films

Het vertonen van Nederlandse zwijgende films was een lange traditie bij het festival. Het begon in 1995 toen de zwijgende film Het geheim van Delft uit 1918 met muziek van Henny Vrienten met groot succes op het festival werd vertoond.

Daarna was er jaarlijks een zwijgende film op het festival te zien, steeds met muziek gecomponeerd en uitgevoerd door studenten Muziektechnologie van de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Voor de films, vrijwel altijd afkomstig van het Filmmuseum of van Beeld en Geluid, kon het festival dankbaar gebruik maken van de restauratie- en digitaliseringsprojecten van deze filmarchieven. Tot 2013 is op deze wijze ieder jaar een zwijgende film op het festival te zien geweest, tot het project door EYE Filmmuseum werd overgenomen.

Een compleet festival

Het festival wist steeds weer nieuwe formules te vinden waarop bijzondere Nederlandse films onder de aandacht konden worden gebracht. Bijvoorbeeld door in het programma De keuze van… prominente gasten als Ronald Giphart, Theo Maassen en Loes Luca hun favoriete Nederlandse films te laten presenteren in gesprekken met de makers. Of onder de naam Blikverruimers uiteenlopende gasten als Arnon Grunberg, Halina Reijn en de duo’s Steffen Haars en Flip van der Kuil en Yousef Gnaoui en Pepijn Lanen (Yous & Yay) over de Nederlandse film aan het woord te laten. Of door het Forum van de Regisseurs waarin filmjournalisten Dana Linssen en Jan Pieter Ekker in gesprek gingen met de makers van artistiek bijzondere films. De mogelijkheden de Nederlandse film onder de aandacht te brengen blijken onuitputtelijk.

Veertig jaar geleden begonnen de Nederlandse Filmdagen als een bescheiden, maar zeer compleet festival. Veertig jaar later is het Nederlands Film Festival dat nog steeds. Inmiddels uitgebreid met vele nieuwe onderdelen als een meerdaags programma voor professionals, een uitgebreid educatieprogramma en de presentatie van interactieve projecten. Een festival dat er in slaagt een groot publiek aan te spreken, maar ook nog steeds in staat is, zoals oprichter Stelling in 1981 voor ogen had, de Nederlandse filmmakers samen te brengen, hun films te vertonen en de toekomst van de Nederlandse film te bespreken. Liefst met een glas in de hand.

De veertigste editie van het festival zal door het coronavirus een andere zijn. Maar het Nederlands Film Festival geeft blijk van zijn wendbaarheid door in enkele maanden tijd de hele opzet om te bouwen en het festival niet alleen in Utrecht, maar ook online én in zo’n 100 bioscopen en filmtheaters door heel Nederland te organiseren.

 

Op de foto:

Inleiding: Jos Stelling
De Grote Prijs van de Nederlandse Film: Theo Mackaay

Een uitgebreid programma:
Robbe de Hert en Nouchka van Brakel

Gesprekken en talkshows:
Claudia de Breij en Carice van Houten (2010)
San Fu Maltha, Matthijs van Nieuwkerk en Jelle Nesna (2009)

Het oordeel van de jury’s:
Peter van Bueren, Berend Boudewijn, Louis van Gasteren  (uitreiking KNF prijs 1983)

Steeds meer kalveren
Elise Schaap en Linda de Mol (uitreiking van Platina Film Award voor April, May en June, 2020)

Dutch Academy for Film
Junkie XL/Tom Holkenborg (Gouden Kalf voor Beste Muziek 2016)

Gast van het Jaar
Jany Temime (NFF Master 2015)

Het Nederlands filmverleden
Pieter Verhoeff en Hanneke Heeremans (2002)

Een compleet festival
Issaka Sawadogo (Gouden Kalf voor Beste Acteur 2016)
Floris Kaaijk (Het eerste Gouden Kalf voor Beste Interactive 2016)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

September 2020