NFF Extended Recoupment

Een film gefinancierd krijgen is een kunst op zich, maar hoe zit het precies met de terugbetaling en het rendement van gedane investeringen? Op veler verzoek maakte NFF Extended Recoupment op donderdag 25 april 2019 een comeback in een volle zaal van Eye, waarbij producent Joost de Vries aan de hand van een aantal concrete voorbeelden van Nederlandse speelfilms en documentaires helder het financiële plaatje uit de doeken deed.

Aan de hand van praktijkvoorbeelden werd tijdens deze bijeenkomst de recoupment van films behandeld: de rangorde van terugbetaling van inkomsten uit exploitatie aan de rechthebbenden. Hiervoor stelde SNG Film het financiële overzicht van de documentaire TANZANIA TRANSIT ter beschikking en Topkapi Film die van de speelfilms PUBLIEKE WERKEN én LAYLA M.
Het doel van de bijenkomst was een inleiding te geven in de basis-principes zoals die in Nederland en de ons omringende landen worden gehanteerd. Van belang om te vermelden is dat dit uitgangspunten zijn en dat elke film anders is, omdat elke film anders gefinancierd wordt, met andere afspraken tot gevolg. Juist vanwege die variaties, werd als eerste de algemene financiering besproken.


Financiering en het rendement
Film is een kunst, uiteraard, maar het is ook een product. Na de scriptontwikkeling wordt de film gepackaged. Daarbij worden de unieke elementen van de film vastgelegd (scriptversie, regisseur, producent, acteurs, taal, budget et cetera). Deze kenmerken kunnen niet gewijzigd worden zonder voorafgaande goedkeuring van de financiers/partners omdat ze bepalend zijn voor de creatieve borging alsmede voor de investeringswaarde van de film.

De financiers van de film zijn als het ware aandeelhouders in een product dat commercieel geëxploiteerd gaat worden. Naast de productkenmerken uit de ‘package’ eisen ze vaak een marktverkenning: wat deden vergelijkbare films aan de kassa? De financiers beoordelen de kwaliteit van de productie, bijvoorbeeld aan de hand van het track record van de regisseur, om een inschatting te maken van het te lopen risico én het verwachte rendement.

Wie zijn de financiers?
Voor de maker is het van belang om zich af te vragen wat de motivatie is van de verschillende financiers om in een project te stappen. Financieel rendement is namelijk niet het enige criterium. Zeker niet in het geval van de eerste van drie categorieën die worden onderscheiden: zacht geld. Dat is geld afkomstig van partijen die zelf gefinancierd worden door de overheid (bijvoorbeeld Filmfonds, CoBo, Eurimages en publieke omroep). Zij baseren hun keuzes op hun maatschappelijke of artistieke opdracht, alsmede op het potentiële publieksbereik. Het gaat bij zacht geld dus niet in eerste instantie om financieel rendement, maar om cultureel rendement. Box office is minder belangrijk dan lovende recensies, bereik en selecties door internationale festivals. De €95.000 die een omroep normaliter in een Nederlandse speelfilm investeert, wordt niet terugverdiend, maar is een vergoeding voor een uitzendlicentie. De fondsen nemen wel een recouppositie; maar niet bovenin het recoupmentschema, en zonder extra opslagen. Ze willen enkel het geïnvesteerde bedrag terug. Het geld van het Filmfonds (en andere buitenlandse fondsen met inhoudelijke toetsing) wordt aangemerkt als staatssteun en die mag in uitzonderlijke gevallen maximaal 75% van de totale financiering bedragen, maar de norm is maximaal 50%.

Daarom moeten films die staatssteun ontvangen ook altijd worden gefinancierd met ander geld, bijvoorbeeld uit categorie 2: hard geld. Dit komt van commercieel gedreven partijen, op zoek naar zekerheid. Dat betekent niet dat élke titel een hit hoeft te zijn, maar het portfolio moet renderen. De partijen die hard geld leveren, krijgen een toppositie in het recoupmentschema, voor maximale zekerheidstelling van terugbetaling. Hun terugbetaling bestaat uit hun ingelegde investering, maar ook opslagen, rente, fees en rechten. Het rendement is voor de meesten de investering plus de opslag. Voor distributeurs en sales agents komen daar de fees, rechten en maximale zekerheid bij, commerciële omroepen halen marktaandeel en reclame-inkomsten en bij de SVOD-platforms draait het om marktaandeel dankzij exclusieve rechten. De investeringen van private investeerders via maatschappen en bedrijven via bijvoorbeeld de Belgische taxshelter zijn voornamelijk fiscaal gedreven: het loont al direct. Bij regionale fondsen, taxshelters en production incentives zit het rendement hem óók in de economische impulsen voor de regio of het land.

Een opmerking: ondanks alle kritiek op ons subsidiestelsel mogen we in onze handen knijpen, want zo is er geld voor de vroege ontwikkelingsfase, als hard geld nog geen optie is vanwege een te hoge risicofactor in die fase van het proces. Wat betreft over budget gaan: dat gebeurt iedere producent. Belangrijk om te realiseren: het is geld dat je nooit meer kunt recoupen.

Categorie 3 wordt gevormd door de makers van de film: scenaristen, regisseurs, producenten en soms acteurs. Zij financieren de film met tijd en risico (of de film een succes wordt, of überhaupt gerealiseerd) en hun reputatie. Wanneer het budget niet toereikend is kan de maker tot een deferral (ook wel: deferment) beslissen: een uitgestelde betaling, waarbij de werkelijk geïnvesteerde tijd/reputatie-inbreng wordt vertaald in een stuk van het salaris dat niet direct betaald wordt, maar pas wordt uitbetaald als de film voldoende financieel rendeert. Deze deferral staat meestal op gelijke hoogte met de investeringen van categorie 2, hard geld. De hoogte van de deferments wordt overigens door het Filmfonds voor de producent beperkt tot 75%, mede uit zelfbescherming voor de producent. De makers kunnen ook rendement behalen door een percentage van de winst af te spreken, of zogenaamde bumpers of kickers: vaste bedragen uitbetaald (doorgaans aan de regisseur) bij behalen van bepaald bezoekersaantal. Tot slot is het succes van de film óók een vorm van rendement voor de makers-categorie, want ze werken reputatie- en trackrecord-verhogend.

Risico’s
Financieringsrisico’s zijn een verloren investering van tijd en geld doordat projecten niet van de grond komen, of een stap die veel productiehuizen nemen om de financiering rond te krijgen: het deferren of het investeren vanuit bedrijfsvermogen.

Een ander risico is het over budget gaan (niet alleen met financiële consequenties, want deze investering kan niet worden terugverdiend, maar ook mogelijk reputatieverlagend) en een negatieve cashflow. Bij films met een budget boven de twee miljoen euro moet de producent van het Filmfonds in principe een completion guarantee of bond-verzekering afsluiten, die het belang van de financiers dekt dat de film op tijd én binnen budget wordt opgeleverd, ook als de producent buiten zijn/haar schuld in financiële problemen raakt.

Recoupmentafspraken worden doorgaans in contractvorm, als tekst, op papier gezet, maar zijn makkelijker te lezen in een schema wat meestal ook wordt opgesteld. Voordat de inkomsten van de film in deze schijven ‘terugstromen’, worden er eerst de kosten van distributie van afgetrokken. De volledige keten waarlangs de inkomsten terugstromen van consument naar distributiepartners, financiers en makers noemt men de ‘waterfall’. Exploitanten en distributeurs hebben traditioneel de eerste plek, gevolgd door de fondsenschijf en dan de net profits oftewel de winstschijf.

Voorbeeld van een recoupmentschema & waterfall
(de afbeeldingen zijn hier terug te zien)
Eerst worden van de oorspronkelijke box office 6% BTW en 1,4% (Buma)-rechten afgetrokken. En dan gaat gemiddeld 60% van het overgebleven bedrag naar de bioscoopexploitanten – waarbij het maar de vraag is of dit percentage werkelijk in verhouding staat met de werkelijke kosten en inspanning aan de filmtheaters. Volgens Joost de Vries zou het best naar beneden kunnen en mogen, zoals in veel van de ons omringende landen het geval is.

Vervolgens trekt de distributeur eerst de kosten voor P&A (Promotion & Advertising) er vanaf en dan vindt er een verdeling (de ‘royalty split’) plaats tussen distributeur en producent. Het bedrag voor de producent wordt nu verminderd met de MG (Minimum Guarantee) welke als schijf 0 in het recoupmentschema terug te vinden is. Daarna worden de inkomsten van andere ‘exploitatie windows’ verdeeld, waarbij opgemerkt wordt dat de dvd-verkoop de afgelopen jaren dramatisch in elkaar is gezakt en bij lange na niet gecompenseerd wordt door de opbrengsten uit de video on demand-inkomsten.

Het voorbeeld-recoupmentschema is opgesteld voor Benelux-producties. Bij internationale inkomsten wordt de bovenste schrijf vervangen voor de Minimum Garantie (MG) van de sales agent. De Minimum Garantie is het voorschot van verwachte exploitatie-inkomsten gebruikt om de film te financieren en te realiseren. In de Equity-schijf staat naast het equity-geld ook de door makers gemaakte deferrals en eigen investeringen. Sommige fondsen, waaronder Eurimages, Screen Flanders en Wallimage, eisen helaas dat hun terugbetaling ook al in deze schijf begint. Het Filmfonds staat equity-investeerders tot maximaal 10% rendement toe in deze schijf.

In de Fondsenschijf wordt het Filmfondsdeel in twee types Revolverende Middelen gesplitst. Van de terugbetaling aan het Filmfonds kan de producent minimaal 50% herinvesteren in een nieuw filmproject. Het overige kan eventueel gebruikt worden om uit te betalen aan investeerders (extra rendement boven 10%) en andere rechthebbenden, waaronder makers.

Ben je bij de winstschijf aanbeland, dan zijn de financiers allemaal terugbetaald, inclusief rendementen en opslagen. Hier neemt het CoBO fonds een uitzonderlijke, historisch zo gegroeide, positie in met een aandeel van 20%. Vanuit de zaal komt vanuit het CoBO Fonds de reactie dat dit in dertig jaar tijd slechts tweemaal is voorgekomen.

Conclusies
De inkomsten uit de exploitatie van een film komen in eerste instantie ten goede aan de kosten van de uitbreng van de film. Als producent doe je er verstandig aan om je bedrijfsvoering te baseren op de verdiensten uit het maken van films, niet op eventuele inkomsten uit exploitatie. Daarnaast is het zaak om goed te begroten: ga niet over budget en financier zonder, of met een zo laag mogelijke eigen bijdrage. Wanneer makers afspraken maken over deferrals en winstdeling, dan is het verstandig om het financieringsplan en het recoupmentschema er op na te slaan, en de exacte plek van de positie in het recoupmentschema met elkaar te bepalen, en bij de prognoses niet de fout te begaan van je rijk te rekenen, maar uitgaan van reëel te behalen inkomsten.

Tot slot eindigt Joost met de boodschap dat momenteel met beleidsmakers in Den Haag de discussie wordt gevoerd waarin gepleit wordt voor meer ‘circulariteit’ in de sector. Middels circulariteit zouden alle partijen die verdienen aan de exploitatie van nationale en internationale producties in Nederland ook substantieel moeten bijdragen aan de financiering van nieuwe Nederlandse producties en het vergroten van de zichtbaarheid. Deze bijdragen dienen ingezet te worden ten bate van de gehele keten (van ontwikkeling en productiefinanciering tot aan marketing en distributie) ter vergroting van de diversiteit, kwaliteit en zichtbaarheid. Ook investering in mediaeducatie en training vormt hierin een belangrijke schakel. Een (wettelijk) kader voor circulariteit kan voor een bloeiende industrie zorgen en dat iedereen krijgt waar hij/zij recht op heeft.