Donna Risa over JE GAAT ZIEN, BROER!

De première van Je gaat zien, broer! kan samengevat worden als: Kanaleneiland meets Kinepolis. In de zaal de jongeren die de film maakten, en regisseur Donna Risa, die als artistiek leider van theaterorganisatie Stut voerde de regie over deze bijzondere productie van Jongeren Cultuurhuis Kanaleneiland. “Ik ben echt super trots op deze jongens.”

Door: Anton Damen

Wat maakt Je gaat zien, broer! zo’n bijzondere film?

“Dat hij gemaakt is door de jeugd die op Kanaleneiland woont, gefilmd in hun eigen omgeving en met gebruik van hun talenten. De één kan zingen, de ander rapt, de derde maakt beats. Ze hebben grootste dromen, maar tja, de kans dat je het tot wereldberoemde rapper schopt is natuurlijk miniem. De vraag hoe je met kansen en met talent omgaat, daar draait het om in het verhaal.”

Wat was precies de inbreng van de jongeren?

“Het scenario komt uit de pen van Aziz Aarab, de artistiek leider van Cultuurhuis Kanaleneiland. Maar de rollen zijn echt op de jongens en het meisje geschreven. De jongste is 15, de oudste 19, ze zitten nog op school en daar bedoel ik niet de acteeropleiding van de HKU mee. Naast het acteerwerk verzorgden ze soms het camerawerk, het geluid en andere vakgebieden. En ze maakten ook een hele gave clip. Ze verdienen echt honderd veren in hun achterste, ik ben super trots op die jongens en iedereen die aan dit project meewerkte.”

Het is een echte Kanaleneiland-productie, maar de regisseur is de artistiek leider van een theatergezelschap uit Overvecht.

“Ha ha, dat klopt. Het zijn twee verschillende wijken, maar ook erg vergelijkbaar. Bij Stut werken we ook vaak met wat ik first time players noem. Mensen die nog nooit op de planken stonden en een grote afstand van kunst en cultuur hebben, en die we helpen om hun verhaal op het podium te brengen. Bij Je gaat zien, broer! is het een ander medium, maar het uitgangspunt en het proces is hetzelfde. Het is een mooie manier om jongeren in hun kracht én dicht bij henzelf op het doek te brengen.”

Het is niet alleen goed te zien dat de rollen op hun lijf zijn geschreven, maar ook te horen.

“Er zit behoorlijk wat straattaal in de dialogen, inderdaad. Op zondag vertonen we de film bij Stut, en dan organiseren we ook een quiz waar we vragen naar het vocabulaire. Ik kan me goed voorstellen dat ouderen soms denken ‘wat zegt-ie nou?’ en wat ondertiteling hadden gewild. Het is een echte jongerenfilm, we hopen dat veel jeugd gaat kijken, misschien ook later als onderdeel van een schoolproject.”

Wat was de grootste regie-uitdaging?

“De planning en organisatie, want het was een enorme klus om de hele groep bij elkaar te krijgen. Omdat ze nog op school zitten, draaiden we in het weekend, ’s avonds bij iemand thuis, op een vrijdagmiddag. Het was ook nog eens midden in de ramadan, dus ze stonden de hele dag op de set zonder te eten of te drinken. Voordat we begonnen met filmen hebben we ook gerepeteerd, want het is nogal wat om te leren hoe je een tekst keer op keer opnieuw moet zeggen. Bij film staat het er niet in een take op, soms moest het tien of twintig keer over, en dat kan lastig zijn.”

Zit er ook nog een vervolg in?

“Ik vind het al geweldig dat die jongens zich zo bloot durven te geven, maar de meiden zijn nog onzichtbaar. Veel van de acteurs zijn minderjarig, en dat betekent dat we de ouders om toestemming moesten vragen. Ik betwijfel of ze die bij meisjes net zo makkelijk geven als bij jongens. Wat dat betreft is er beslist nog een wereld te winnen. Dus een Je gaat zien, meid!… dat zou fantastisch zijn.”