Ook al was de veelbelovende Russische dichter Boris Ryzhy pas 26 toen hij zich verhing, toch ligt hij op de begraafplaats van Jekaterinburg tussen flink wat oud-klasgenoten. In het jaar dat zij de middelbare school verlieten, begon de perestrojka. Terwijl Ryzhy en zijn latere weduwe Irina gingen studeren, werden veel leeftijdsgenoten bodyguard van de maffia. Dood en geweld horen bij deze generatie, en ook Ryzhy ontkwam daar niet aan. Hij kon iemand zelf zo goed een rechtse verkopen dat zijn louche vrienden hem erom bewonderden, in de ruwe, verarmde Staalschrootwijk waarover hij zo veel en zo mooi dichtte. In het portret dat filmmaker Aliona van der Horst zeven jaar na zijn dood van hem maakte, zegt een van hen dat Ryzhy zich schaamde dat juist hij nog leefde. Het leek alsof hij geen huid had, mijmert Ryzhy's vrouw als ze vertelt dat hij begon te trillen als ze niet bij hem was. Van der Horst duikt in het leven van deze intrigerende man die nergens echt bij hoorde. Daarbij toont ze niet alleen zijn eigen tragiek maar ook die van de mensen in zijn omgeving.