De verlegen en in zichzelf gekeerde Kain dwaalt rond op een spetterend feest. Hij vindt geen aansluiting met de andere feestgangers, maar raakt geobsedeerd door Guinevere. Daar moet haar beschonken vriendje niets van hebben. Ook Guinevere keert zich van hem af. Waar komt zijn besluit uit voort onheil te stichten op het festijn?